Heuh, zeg je misschien luidop bij het lezen van deze titel. Grotsyndroom? Is dat één of andere gekke ziekte? Nope, het is weeral zo’n nieuw woord dat ze hebben uitgevonden om een corona-effect te omschrijven. De mensen die woorden uitvinden (is dat eigenlijk een job? Hoe worden woorden uitgevonden? Help mij!) hebben zich de afgelopen tijd werkelijk uitgesloofd. Denk maar aan bubbel, knuffelcontact, lockdowns, social distancing of hoestschaamte. Volgens het internet (dat altijd gelijk heeft) zijn er alleen al in 2020 meer dan 1.000 nieuwe woorden uitgevonden, merci corona.
Maar soit, het grotsyndroom is dus het nieuwste paard in de stal en betekent zoveel als “dat mensen het misschien wel moeilijk gaan hebben om na de pandemie hun gewone leven weer op te pakken en de normale sociale interacties weer aan te gaan.” Omdat er nieuwe gewoontes zijn gekweekt tijdens de lockdowns of de angst er nog in zit om besmet te worden. Velen voelen daardoor een druk om toch al sociale dingen te plannen en er aan mee te doen, terwijl ze er eigenlijk nog geen zin in hebben.
Ik heb last van het grotsyndroom, alleen werkt dat bij mij langs twee kanten. Ik heb moeite met het idee dat alles binnenkort weer mag, en met binnenkort bedoel ik ruim twee maanden voor ik waarschijnlijk (ten vroegste) volledig gevaccineerd zal zijn. Ik wil mijn vrienden en collega’s heel graag weer zien en zal ook vaker iets sociaal doen dan vorige zomer, toen ik me echt opgesloten heb en daar niet bepaald gelukkig van werd. Maar ik heb nog geen zin in die ruimere sociale verplichtingen. Zoals familietoestanden en feestjes met wat meer volk. Ik heb net nood aan wat dieper één of één contact omdat het zo lang geleden is en het ook veiliger voelt.
Ik heb ook nog geen zin om op een overvolle trein te stappen, of ergens staan aan te schuiven. En echt naar het buitenland gaan? Ik zou het zo graag doen, maar het voelt nog niet juist. En ergens vind ik het niet zo’n fijn gevoel dat anderen rond me stilaan wel beginnen boeken. Iedereen doet wat hij of zij wilt he. Maar een drukke reiszomer kan er potentieel voor zorgen dat we in het najaar terug binnen zitten. Het kan zoveel weer kapot maken. (en ik geef toe, de onzekerheid in Valencia was redelijk hard een ervaring en is niet hoe ik me een vakantie inbeeld dus ik wil dat risico niet opnieuw nemen). En dan voelt het wat dubbel om blij te zijn dat iemand op vakantie gaat. (Ik krijg gewoon heel veel stress van het feit dat mensen vanaf nu weer gaan doen en laten wat ze willen, maar dat dat potentieel een impact kan hebben op mij als het weer de foute kant dreigt op te gaan. Tegen dat ik weer durf, mag het misschien niet meer.).
Het naar buiten gaan is moeilijk. Maar anderzijds is het constant thuis blijven en binnen zitten stilaan ook aan het doorwegen. De muren komen soms letterlijk op mij af. Ik heb daardoor vaak het gevoel opgesloten te zitten in mijn hoofd met mijn eigen gedachten. Ik maak mezelf soms gek. Dus moet ik naar buiten.
En als ik dan buiten ga (in een context waarbinnen ik me goed en veilig voel), dan slaat ironisch genoeg soms het gemis aan thuis toe. Dan voelt het fout om thuis achter te laten en daar niet te zijn. Dan voel ik me soms slecht, met mijn gedachten niet in het nu. Het zit allemaal redelijk hard in mijn hoofd. Dat besef ik ten volle. Maar die gewoonte is nu gekweekt en het zal even duren voor ik die weer kan loslaten. Ik vertrouw erop dat dat wel zal lukken.
Voorlopig heb ik soms zowel moeite met binnen blijven als met naar buiten gaan. Dat grotsyndroom, het is precies toch niet om mee te lachen. En het snijdt langs twee kanten.
Herkenbaar? Of heb jij minder moeite met de overgang naar terug een sociaal leven?